Het verhaal van Jean-Marie in Vreemdelingenbewaring

Een debat over vreemdelingenbewaring is voor mij een dagelijks gesprek, meestal met mezelf, soms met vrienden en kennissen. Het is vandaag geen taalles, maar laat me even zeggen dat het woord vreemdelingenbewaring een beetje vreemd is voor mij. In dat woord ik hoor niks over gevangenis, ik hoor niks over asielzoekers of vluchtelingen. Het doet pijn als je denkt dat er in de   zo genaamde vreemdelingenbewaring zwangere vrouwen met diabetes zitten, zonder mogelijkheid om medische zorg te krijgen in een noodgeval. Er zijn moeders met kleine kinderen  zonder eten voor de baby’s van die leeftijd, de moeders kunnen alleen huilen.

Gevangenis is de plek waar ik zat voor tien maanden  alleen omdat ik asiel heb aangevraagd. Vluchteling te zijn is niemands keuze. En ik heb altijd een vraag zonder antwoord: waarom moest ik daar zitten, waarom ik, en tot wanneer?

Tien maanden: Tafelberg, Zeist, Veenhuizen, Schiphol Oost.

Er is een lege plek op mijn CV, vanaf september 2006 tot en met juni 2007 ik was in vier verschillende detentiecentra. Bij sollicitatiegesprekken weet ik nooit hoe ik moet uitleggen wat ik deed tijdens die periode. Ik was niet op school, ik was niet aan het werk, ik had geen adres, ik was gewoon in een detentiecentrum, in de gevangenis voor onbegrijpelijke redenen. In Tafelberg Detentiecentrum, heb ik door de shock tijdens mijn eerste twee weken niemand gesproken, twee weken  om te denken, om te begrijpen waarom.

Daarna heb ik besloten om te praten met andere asielzoekers. Sommige zaten daar voor een maand, zes maanden, een jaar of meer. Ik zei tegen mezelf: het leven moet doorgaan.

Daarna ben ik naar Zeist detentiecentrum gebracht. Ik moest mijn blote lichaam laten zien  van alle kanten, voor en achter, de linker en de rechterkant, boven en beneden, drie keer zitten om te laten zien of er niks uit mijn koude lichaam komt. Ik zal dat nooit vergeten. Vroeger dacht ik dat alleen mijn vrouw mijn blote lichaam kan zien van alle kanten, of in moeilijke situaties de dokter in het ziekenhuis. Maar nu weet ik dat ook de bewakers in detentiecentra  voor asielzoekers naar mijn blote lichaam kunnen kijken, en tijdens die minuten is mijn gevoel van mens zijn, als gerespecteerde mens door andere mensen, dat gevoel is weg. En ik zal dat nooit vergeten.

Tijdens de intake in Zeist DC, moest ik een naam geven aan de bewakers, een naam van iemand om te informeren over mij in dringende situaties, een vriend of familielid. Ik vroeg in welk geval moeten jullie contact opnemen met mijn vrienden of familie? De bewaker zei tegen mij: bijvoorbeeld als je dood gaat, dan moeten wij familie of vrienden informeren. Misschien vinden heel veel mensen dat heel normaal, maar ik in die situatie, ik wil nooit over dood denken of horen, ik denk over leven. Ik denk over asiel en bescherming, en de bewakers spreken over dood, mijn dood. Mijn mogelijke dood in het detentiecentrum voor asielzoekers.

Ik moest naar de tandarts, dat was volgens mij in februari 2007 in Zeist. Met twee politiemensen, mijn handen geboeid. Ik dacht of ik was een patient een zieke asielzoeker of vluchteling, of misschien een crimineel die in de handboeien naar de tandarts moet. Terug in het detentiecentrum heb ik mijn pijnstillers niet gekregen, in mijn gebit was het verdovingseffect  voorbij, een tablet paracetamol zou een diamant zijn, maar ik heb dat niet gekregen.

Een paar maanden later ben ik naar Veenhuizen detentiecentrum gebracht.

De reis was zo lang, vanaf Zeist in Utrecht tot Veenhuizen in Groningen. Ik was ongeduldig om de nieuwe gevangenis te zien.

Daar hadden de bewakers geen interesse in mijn blote lichaam, ze spraken niet over mogelijke dood. Daar hadden de bewakers een glimlach, ze waren menselijk. Ik dacht dit is het begin van het eind misschien. Want in Veenhuizen was een andere soort detentiecentrum. Ik was niet blij maar een beetje tevreden. Ik had een sleutel voor mijn cel, ik kon bepalen om hoe laat te gaan slapen, ik kon een film kijken met vrienden in de gevangenis, vrienden uit Afghanistan, India, Somalië, Armenië, Cuba, China. We waren broeders. En nu weet ik niet meer waar ze zijn.

Eind April werd ik naar Schiphol – Oost  gebracht.

In Schiphol – Oost detentiecentrum waren de donkerste dagen van mijn leven in de gevangenis. Een nachtmerrie die blijft in mijn hart en ziel. Gewoon, ik heb niet genoeg woorden om  te uitleggen wat ik voelde, wat ik moest ervaren in Schiphol – Oost. Ik had niks gegeten in Veenhuizen, want s’ ochtends met andere asielzoekers we moeten naar een ander detentiecentrum. Daar was ons eten misschien. In de bus van Justitiële Inrichtingen , konden we niks meenemen om te eten. Op Schiphol, zes mannen in een kamertje, we moesten wachten voor de intake, we waren in die kamer voor meer dan 6 uren. We hebben die hele dag en nacht niets gegeten. Alweer mijn blote lichaam laten zien, omdraaien, een spektakel voor de bewakers, dacht ik toen ik één van hen zag lachen. Ik weet nog steeds niet wat er grappig was aan mijn lichaam. Dat soort bewakers, in hun ik zag monsters, sorry maar het voelt zo.

In Mei 2007 waren we op een dag aan het luchten. Dat betekent dat we even naar buiten mochten, binnen een hek. Die dag waren er mensen van de kerk buiten het detentiecentrum om de brand van 2005 te herdenken. Omdat deze mensen met ons probeerde te praten, moesten we van de bewakers eerder naar binnen dan normaal. Een groepje van ons weigerde dit, omdat we geen reden zagen om eerder naar binnen te moeten. Om kwart voor vijf, toen het normale tijd was om naar binnen te gaan, gingen we naar binnen naar onze cel. Daarna kwam er een andere soort politie om ons van onze cel te halen. Ze vroegen of ik zou meewerken. Ik zei ja. Toch kwamen er vier politiemannen met wapenstokken. Ze namen me hardhandig  mee en duwden me tegen de muur. Ze deden mijn handen op de rug en deden handboeien om. Ze namen me mee naar de isolatiecel.

Ik moest achterstevoren lopen met mijn hoofd bijna tussen mijn knieën, mijn armen geboeid op mijn rug. Aan elke arm werd ik vastgehouden door een politieagent. Op weg naar de isolatiecel hoorde ik asielzoekers in andere cellen die huilden en zeiden ”don’t kill me”. Ik was vier dagen in de isolatiecel, zonder bed, zonder stoel, met een camera boven het toilet. Zonder mijn eigen kleding.

Ik mocht mijn advocaat niet spreken. In de cel naast mij zaten vrouwen die op het vliegveld gepakt waren met drugs in hun buik. Toen wist ik zeker dat het niet een detentiecentrum voor asielzoekers was. Het was een gevangenis voor criminelen. Ik mocht alleen vijf minuten douchen.

Op andere dagen was er een brandweer training: waarom moesten de bewakers tijdens die trainingen de deuren van onze kamers of cellen sluiten, en moesten wij binnen blijven. Volgens de bewakers moesten wij, in geval van nood, in onze kamers blijven, gesloten. Als de kamers zijn geopend, dan kan de brand naar andere afdelingen, naar andere delen van het gebouw. Dat was gewoon een bescherming van het gebouw, niet een bescherming van de asielzoekers. Dat was heel zwaar te horen, moeilijk te begrijpen, en nooit mogelijk om te accepteren.

CONCLUSIE

Voor veel mensen is een detentiecentrum een gewoon gebouw, maar voor asielzoekers die daar moeten blijven is het een enorme gigantische muur tussen hun en de rest van de wereld, tussen hun en andere mensen. Ik probeerde  altijd om me mens te voelen, maar ik werd niet als mens behandeld in die gevangenissen voor asielzoekers. Ik heb begrepen dat mijn status als mens was weg gehaald

Er zijn heel veel mensen die denken dat het niet anders kan, dat asielzoekers in detentie moeten blijven. Ik zeg nee, ik denk dat een menselijke behandeling van asielzaken nog mogelijk is.

Regeringen hebben enorme macht tegen mijn woorden en gevoelens. Ze hebben besloten om vluchtelingen naar gevangenissen te sturen. Ik zeg gewoon gevangenissen moeten niet gebruikt worden om asielzoekers te behandelen.

Lees meer verhalen van Vluchtelingen Hier.

Dit bericht is geplaatst in Verhalen van Vluchtelingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *